Reflectievragen meesterschap

1. In welke omstandigheden heb ik de ervaring opgedaan dat mijn eigen  begeestering een belangrijk leermiddel is en dat de ‘passie voor het vak’ mijn geloofwaardigheid als leerkracht mee bepaalt? Zou ik durven zeggen dat ik ‘een passie’ heb voor mijn vak / voor de werkelijkheid?

Ervaar ik mijn lesgeven als ‘de wegen tot een bepaald leergebied/vakgebied aanreiken en begaanbaar maken’ voor leerlingen? Waarom wel/niet?

2. Wanneer gebruik ik de leerinhouden als een kans om de leerlingen voorbij de horizon van ‘de feiten’ te laten zien, om te tonen dat de wereld, de mens en het leven zinvol zijn? Zou ik die ‘zin’ kunnen identificeren met een christelijk geïnspireerd mens- en wereldbeeld? Waarom?

Stimuleer ik door mijn lessen de leerlingen om zelf op zoek te gaan naar betekenis en zin?

Hoe reageer ik als er leerlingen, ouders of collega’s zingevingsvragen stellen?

3. Ken ik mijn goede en mijn minder goede kanten binnen mijn professionele functioneren? Vind ik van mezelf dat ik daar goed kan mee omgaan?

Ken ik mijn fysieke en mentale grenzen, kan ik ze zelf respecteren en ook vriendelijk vragen dat anderen dit doen?

Wat doe ik als ik merk dat ik zelf mijn grenzen niet voldoende heb gerespecteerd of dat anderen dat niet doen?

In welke omstandigheden vind ik het moeilijk om te weten hoever mijn professionele verantwoordelijkheid reikt?

<< Terug naar overzicht reflectievragen